Probleemgedrag

Cijfers en inspectie over probleemgedrag

Probleemgedrag komt veel voor. In Nederland lijden ongeveer 250.000 mensen aan dementie. Door de vergrijzing zal het aantal mensen met dementie in 2050 in Nederland naar schatting gestegen zijn naar meer dan een half miljoen. Bij 80 tot 90% van de mensen met dementie komen een of meer gedragsproblemen voor.
Uit onderzoek van Trimbos-instituut (2018) bleek dat van de verschillende vormen probleemgedrag, apathie en onverschilligheid het vaakst voorkomt onder mensen met dementie in een woonvoorziening (76%), gevolgd door depressie/dysforie (65%) en prikkelbaarheid/ labiliteit (63%). Het minst vaak komt onrustig gedrag ’s nachts (43%), angst (40%) en hallucinaties (36%) voor. Gemiddeld laat een bewoner zes verschillende typen gedrag zien.
Ook bij mensen met een verstandelijke beperking komt probleemgedrag voor. De schattingen gaan er van uit dat bij 80% van de mensen met een verstandelijke beperking gedragsproblemen voorkomen. In Nederland zijn ongeveer 100.000 mensen met een beperking.

Inspectie: 8 kernelementen voor omgaan onbegrepen gedrag

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd schrijft dat de zorg voor mensen met dementie die onbegrepen gedrag vertonen, moet voldoen aan de 8 kernelementen:  

  1. De zorgaanbieder legt vast hoe de medewerkers omgaan met mensen met dementie en hoe deze mensen worden verzorgd.
  2. De medewerker kent de cliënt en zijn gedrag. De medewerker kent de levensgeschiedenis, weet waar de cliënt blij van wordt en wat hem of haar helpt. De medewerker herkent signalen van het onbegrepen gedrag en reageert hierop. De medewerker maakt hierover verslagen zodat anderen hiervan kunnen leren.
  3. Familie en mantelzorgers zijn betrokken bij de aanpak van de zorg. Samen wordt besproken wat zorgverleners kunnen doen om de cliënt rustig te maken als hij of zij onrustig wordt. Ook wordt besproken in welke situaties bijvoorbeeld de keuze wordt gemaakt om toch rustgevende medicatie te geven.
  4. Een verzorgende, arts en psycholoog bepalen samen de doelen van de zorg en bij welk gedrag wordt ingegrepen. Soms wordt dit bepaald met meerdere zorgverleners, maar altijd met een verzorgende, arts en psycholoog.
  5. Het team van verzorgende, arts en psycholoog maakt een analyse van het onbegrepen gedrag. Zijn lichamelijke factoren of medicijngebruik oorzaak van het onbegrepen gedrag? Heeft de cliënt een psychische stoornis? Of komt het onbegrepen gedrag door gebeurtenissen uit het verleden of hoe met de cliënt wordt omgegaan?
  6. Om de risico’s van het onbegrepen gedrag te verkleinen, probeert de medewerker agressie of extreme onrust te voorkomen zonder medicijnen toe te dienen. Dit kan door bijvoorbeeld rustgevende activiteiten aan te bieden, het laten horen van rustgevende geluiden, door handmassage of een pluche knuffel te geven. Dit legt de medewerker vast in het zorgplan.
  7. Medicijnen die angst verminderen of mensen rustig maken, de zogenoemde psychofarmaca, worden gebruikt volgens de landelijk geldende richtlijnen.
  8. De verzorgende, arts en psycholoog bespreken de afspraken minstens twee keer per jaar. Bij deze evaluaties kijken ze altijd of het gebruik van medicijnen die inspectie onbegrepen gedragangst verminderen of mensen rustig maken, de psychofarmaca, kan worden gestopt.

Lees meer over deze 8 kernelementen op de website van IGJ

De Inspectie publiceerde tevens een magazine met goede voorbeelden van instellingen over omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie.
Bekijk het Magazine Met andere ogen (pdf)

Monitor Dementie (2017): Samenwerking kan beter

Ontwikkelingen gaan de goede kant op, maar er is in de zorg voor mensen met dementie nog ruimte voor verbeteringen op het gebied van multidisciplinaire samenwerking en het betrekken van familie. Die conclusie trekt het Trimbos-instituut in het deelrapport ‘Onbegrepen gedrag in de verpleeghuiszorg voor mensen met dementie’(pdf), dat begin 2018 werd gepubliceerd.
Het deelrapport, gemaakt op basis van de driejaarlijkse metingen in het kader van de Monitor Woonvormen, laat zien dat nog niet alle 49 onderzochte woonvoorzieningen een actief beleid hebben op het gebied van onbegrepen gedrag, dat ook wordt uitgevoerd. Ongeveer de helft heeft (nog) geen beleid, plan of visie of heeft wel een dergelijk beleidsstuk maar doet er te weinig mee.
Gemiddeld zegt ongeveer een kwart van de verzorgenden en psychologen meningsverschillen of onduidelijkheden te ervaren in het omgaan met onbegrepen gedrag. Bij de artsen is dit percentage lager. Verzorgenden hebben relatief het vaakst meningsverschillen over het gebruik van psychofarmacagebruik. Een verklaring kan zijn dat psychofarmaca regelmatig ‘indien nodig’ worden voorgeschreven. Dan ligt de uiteindelijke beslissing om het middel wel of niet toe te dienen dus bij het verzorgende team.

Multidisciplinaire samenwerking

De multidisciplinaire samenwerking kan veel beter, zo blijkt uit het onderzoek. Behandelaars zeggen bijvoorbeeld dat ‘de onderlinge communicatie nog niet optimaal is en de tijd soms ontbreekt voor overleg. ‘Het is zorgelijk’, schrijven de onderzoekers, dat ‘nog niet de helft van de psychologen aanwezig zegt te zijn bij het multidisciplinair overleg’. Terwijl multidisciplinaire van grote waarde is, en bovendien ‘een kernelement is volgens de Inspectie voor de Gezondheidszorg’.

Betrokkenheid van de familie

Ook in de samenwerking met familieleden is ‘ruimte voor verbeteringen’. Verzorgenden geven aan dat in twee derde van de gevallen familieleden niet altijd betrokken worden bij de aanpak en de evaluatie van onbegrepen gedrag. Artsen en psychologen bespreken vaak wel de aanpak, maar bij de evaluatie worden familieleden minder vaak betrokken. De onderzoekers concluderen dat het erop lijkt dat gedrag van een bewoner eerder met familie wordt besproken, als er behandelaars bij de situatie zijn betrokken.
Het rapport sluit af met 6 praktische aanbevelingen (die hier verkort worden weergegeven, zie voor de uitgebreide versie het rapport):

  1. Wees je er bewust van dat gedragskenmerken die belastend kunnen zijn voor de bewoners zelf of hun omgeving veel voorkomen.
  2. Bespreek in het multidisciplinaire team regelmatig in hoeverre er volgens de acht kernelementen van goed omgaan met onbegrepen gedrag [zie boven]wordt gewerkt.
  3. Bespreek ook hoe de multidisciplinaire samenwerking wordt ervaren. De redenen die in dit onderzoek genoemd worden voor het goed of juist minder goed verlopen van de multidisciplinaire samenwerking, zijn namelijk beïnvloedbaar.
  4. Ga na of de psycholoog de gewenste rol kan vervullen in goed omgaan met onbegrepen gedrag in de woonvoorziening en wat hierin veranderd moet worden.
  5. Behandelaars kunnen werken aan een betere samenwerking met verzorgende teams door kritisch naar zichzelf te kijken en zich af te vragen of zij in staat zijn informatie op een begrijpelijke manier aan verzorgenden over te brengen.
  6. Denk bij onbegrepen gedrag van een bewoner aan familie als samenwerkingspartner, maar houd er ook rekening mee dat familieleden mogelijk behoefte hebben aan ondersteuning in het hanteren van het gedrag van hun naaste.

Bron: Marleen Prins, Ceciel Heijkants, Bernadette Willemse, Onbegrepen gedrag in de verpleeghuiszorg voor mensen met dementie: Monitor Woonvormen Dementie, trimbos-instituut. Artikelnummer AF1596.

Monitor Dementie (2015): Gebruik psychofarmaca nog hoog

In de twee jaar eerder verschenen Monitor Woonvormen Dementie bleek dat het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen wel afnam in de zorg voor mensen met dementie, maar dat nog niet het gebruik ban psychofarmaca.
Monitor Woonvormen Dementie 2008-2014 (pdf) van Trimbos Instituut (2015).

Onderzoek van inspectie in 2016

In mei 2016 publiceerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg de resultaten van een onderzoek bij 23 instellingen naar hoe omgegaan wordt met onbegrepen gedrag bij dementie. De inspectie concludeert dat er steeds meer aandacht is voor onbegrepen gedrag, maar dat er ook nog veel verbeterd kan worden.

De belangrijkste bevindingen: 

  1. Zorginstellingen en medewerkers hebben meer aandacht voor dementie en onbegrepen gedrag.
  2. Zorginstelling heeft visie op onbegrepen gedrag, maar de visie wordt nog niet voldoende toegepast.
  3. Medewerkers kennen cliënt in de praktijk, maar kennis over cliënt is niet standaard vastgelegd.
  4. Psychofarmaca: te weinig aandacht voor diagnose en evaluatie.
  5. Probleemstelling in cliëntdossier is niet opgesteld door een multidisciplinair team.
  6. Zorginstellingen betrekken netwerk nog niet automatisch bij zorg voor de cliënt.

Lees een toelichting op deze bevindingen in de factsheet van de inspectie (pdf, mei 2016)

Eerder rapport inspectie

Rapport: Kijken met andere ogen naar mensen met dementie en onbegrepen gedrag (pdf, juni 2015)

Bron


 
JOUW REACTIE
Wil je een link invoegen in de tekst? Zet de link tussen vierkante haken: [www.zorgvoorbeter.nl]





Zorg voor Beter gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren.
Ik ga akkoord met het plaatsen van cookies (inclusief tracking cookies).
Niet akkoord en lees meer