Zorg voor Beter gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren.
Ik ga akkoord met het plaatsen van cookies (inclusief tracking cookies).
Niet akkoord en lees meer

Probleemgedrag

Cijfers en inspectie over probleemgedrag

Probleemgedrag komt veel voor. In Nederland lijden ongeveer 250.000 mensen aan dementie. Door de vergrijzing zal het aantal mensen met dementie in 2050 in Nederland naar schatting gestegen zijn naar meer dan een half miljoen. Bij 80 tot 90% van de mensen met dementie komen een of meer gedragsproblemen voor.

Daarnaast leven in Nederland ruim 100.000 mensen met een verstandelijke beperking. Ook bij hen komt probleemgedrag voor. De schattingen gaan richting 80% van de mensen met een verstandelijke beperking waarbij gedragsproblemen voorkomen. 

Als probleemgedrag voorkomt, blijkt het voor cliënt, medecliënten en medewerkers vaak erg belastend te zijn. Er ontstaat vaak een situatie die stress oproept. Deze stress kan zowel voorkomen bij medewerkers, maar ook bij de betrokken cliënt of bij medecliënten. Probleemgedrag kan bovendien aanstekelijk werken: probleemgedrag van een cliënt kan bij andere cliënten weer nieuw probleemgedrag oproepen.

Het is dus voor iedereen van het grootste belang om zo goed mogelijk met dit gedrag om te gaan. En als het kan dit gedrag te voorkomen. Soms is bepaald gedrag zo eigen aan de cliënt dat het niet zal verdwijnen. Het streven is dan dat men de last als minder zwaar gaat ervaren.

Inspectie: 8 kernelementen voor omgaan onbegrepen gedrag

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd schrijft dat de zorg voor mensen met dementie die onbegrepen gedrag vertonen, moet voldoen aan de 8 kernelementen:  

  1. De zorgaanbieder legt vast hoe de medewerkers omgaan met mensen met dementie en hoe deze mensen worden verzorgd.
  2. De medewerker kent de cliënt en zijn gedrag. De medewerker kent de levensgeschiedenis, weet waar de cliënt blij van wordt en wat hem of haar helpt. De medewerker herkent signalen van het onbegrepen gedrag en reageert hierop. De medewerker maakt hierover verslagen zodat anderen hiervan kunnen leren.
  3. Familie en mantelzorgers zijn betrokken bij de aanpak van de zorg. Samen wordt besproken wat zorgverleners kunnen doen om de cliënt rustig te maken als hij of zij onrustig wordt. Ook wordt besproken in welke situaties bijvoorbeeld de keuze wordt gemaakt om toch rustgevende medicatie te geven.
  4. Een verzorgende, arts en psycholoog bepalen samen de doelen van de zorg en bij welk gedrag wordt ingegrepen. Soms wordt dit bepaald met meerdere zorgverleners, maar altijd met een verzorgende, arts en psycholoog.
  5. Het team van verzorgende, arts en psycholoog maakt een analyse van het onbegrepen gedrag. Zijn lichamelijke factoren of medicijngebruik oorzaak van het onbegrepen gedrag? Heeft de cliënt een psychische stoornis? Of komt het onbegrepen gedrag door gebeurtenissen uit het verleden of hoe met de cliënt wordt omgegaan?
  6. Om de risico’s van het onbegrepen gedrag te verkleinen, probeert de medewerker agressie of extreme onrust te voorkomen zonder medicijnen toe te dienen. Dit kan door bijvoorbeeld rustgevende activiteiten aan te bieden, het laten horen van rustgevende geluiden, door handmassage of een pluche knuffel te geven. Dit legt de medewerker vast in het zorgplan.
  7. Medicijnen die angst verminderen of mensen rustig maken, de zogenoemde psychofarmaca, worden gebruikt volgens de landelijk geldende richtlijnen.
  8. De verzorgende, arts en psycholoog bespreken de afspraken minstens twee keer per jaar. Bij deze evaluaties kijken ze altijd of het gebruik van medicijnen die inspectie onbegrepen gedragangst verminderen of mensen rustig maken, de psychofarmaca, kan worden gestopt.

Lees meer over deze 8 kernelementen op de website van IGJ

De Inspectie publiceerde tevens een magazine met goede voorbeelden van instellingen over omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie.
Bekijk het Magazine Met andere ogen (pdf)

Onderzoek van inspectie in 2016

In mei 2016 publiceerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg de resultaten van een onderzoek bij 23 instellingen naar hoe omgegaan wordt met onbegrepen gedrag bij dementie. De inspectie concludeert dat er steeds meer aandacht is voor onbegrepen gedrag, maar dat er ook nog veel verbeterd kan worden.

De belangrijkste bevindingen: 

  1. Zorginstellingen en medewerkers hebben meer aandacht voor dementie en onbegrepen gedrag.
  2. Zorginstelling heeft visie op onbegrepen gedrag, maar de visie wordt nog niet voldoende toegepast.
  3. Medewerkers kennen cliënt in de praktijk, maar kennis over cliënt is niet standaard vastgelegd.
  4. Psychofarmaca: te weinig aandacht voor diagnose en evaluatie.
  5. Probleemstelling in cliëntdossier is niet opgesteld door een multidisciplinair team.
  6. Zorginstellingen betrekken netwerk nog niet automatisch bij zorg voor de cliënt.

Lees een toelichting op deze bevindingen in de factsheet van de inspectie (pdf, mei 2016)

Onderzoek van inspectie in 2015

In juni 2015 constateerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ook al dat de zorg voor mensen met dementie en onbegrepen gedrag verbeterd dient te worden. Uit het onderzoek van de inspectie bleek dat instellingen aan een aantal randvoorwaarden voor goede zorg voldoen, maar niet aan alle noodzakelijke voorwaarden. Zorgaanbieders benutten het onvoldoende. Alle instellingen hadden een visie op de zorg die ze willen verlenen, maar het ontbrak in deze visie aan specifieke aandacht voor patiënten met dementie en onbegrepen gedrag. Bovendien bleef de vertaling van deze visie in de praktijk achter. Meer aandacht voor is hierbij noodzakelijk. Rapport: Kijken met andere ogen naar mensen met dementie en onbegrepen gedrag (pdf, juni 2015)

Monitor Dementie: Richtlijnen niet gevolgd

De richtlijnen voor professioneel omgaan met onbegrepen gedrag worden in de praktijk nog te weinig gevolgd, blijkt uit de Monitor Woonvormen Dementie 2008-2014 van het Trimbos Instituut (2015). De monitor heeft onder ander het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen en psychofarmaca in de zorg voor mensen met dementie onderzocht. Met name het gebruik van psychofarmaca neemt niet af.  Het eerst proberen van psychosociale interventies, -zoals de richtlijnen dat voorschrijven-, gebeurt niet in alle situaties. Zo zegt bijna een kwart van de artsen in het onderzoek, dat slechts ‘soms’ psychosociale interventies worden ingezet voordat naar psychofarmaca wordt gegrepen.
De auteurs van monitor hebben ook gesprekken gevoerd met de 54 aan het onderzoek deelnemende woonvoorzieningen. Daaruit kwam naar voren dat er meer aandacht nodig is voor de manier van werken bij onbegrepen gedrag. Bekijk het op Zorg voor Beter om beter om te gaan met probleembedrag.
Monitor Woonvormen Dementie 2008-2014 (pdf) van Trimbos Instituut.

JOUW REACTIE
Wil je een link invoegen in de tekst? Zet de link tussen vierkante haken: [www.zorgvoorbeter.nl]