Naar hoofdinhoud Naar footer

Praten over rouw en verlies

Misschien niet dagelijks, maar in de zorgpraktijk krijg je te maken met rouw en verlies. De moeder van je collega is overleden of de vrouw van jullie cliënt met dementie heeft moeite om te accepteren dat haar partner niet meer thuis woont. Soms heeft een cliënt zelf heel veel moeite om achteruitgang of ziekte te accepteren. Bij het sterven van een cliënt, volgen er emoties bij nabestaanden maar zal ook gevoelens losmaken bij jou en jouw collega’s. De ene persoon praat makkelijker over verlies dan de ander. Wat helpt bij het gesprek over rouw en verlies? Waar moet je op letten en wat ondersteunt een goed gesprek over rouw en verlies en wat juist niet?

Het ondersteunende gesprek

Dit gesprek is gericht op het ondersteunen van de ander, ruimte geven om het hart te luchten en troost te bieden bij rouw en verlies. Belangrijk hierbij is echt luisteren en stimuleren tot verder praten met gerichte vragen. Gebruik hierbij LSD: Luisteren, Samenvatten en Doorvragen. Bekijk ook de pagina over soorten vragen binnen dit thema.

Tip: Probeer 80% van de tijd te luisteren en de overige 20% vragen te stellen en te praten.

Wel doen:

  • Echt-zijn, niet te veel praten en alleen zeggen wat je ook echt meent. Zeg bijvoorbeeld: ‘Ik weet niet wat ik tegen je moet zeggen.’ Je hoeft niet bang te zijn dat jouw woorden emoties of een huilpartij uitlokken, de pijn of verdriet is er al! Begin met luisteren, door oprecht te luisteren en de ander de kans te geven het verhaal te vertellen, kun je echt bij iemand ‘zijn’.
  • Gepast meeleven, er voor iemand zijn. Kalm en beschikbaar zijn met een luisterende houding. Bekijk tips voor goed luisteren en vragen.
  • Iets doen en laten merken dat je meevoelt. Dit kan in het persoonlijke gesprek maar ook via een brief of kaart. Misschien willen ze een soepje of een kopje koffie? Spreek buiten werktijd af met de collega die haar partner verloren is.
  • Troost bieden. “Ik vind het zo naar voor je” en “Je hield zo veel van haar”. Geef ruimte aan gevoelens en accepteer de hoogoplopende emoties van spraakwaterval tot (onaangename) stiltes. Dit vraagt oefening en verdragen dat je niet altijd iets hoeft te zeggen. In stilte aanwezig zijn bij de ander kan ook van grote betekenis zijn.  
  • Stel vragen die gericht zijn op gevoelens en emotie van de ander: ‘Wanneer is het vooral zwaar’, ‘Ben je ook wel eens boos, angstig?’ en ‘Wat doe je als je jezelf ... voelt?’ Maar vraag ook wat je voor iemand kan doen en of het bijvoorbeeld helpt als je thee zet of een arm om iemand heen slaat.
  • Als het gesprek de kant opgaat over hoe het was, kun je ook je eigen positieve herinnering aan de cliënt of collega inbrengen.
  • Geef vooral tijd en ruimte, komt terug op een eerder gesprek. Ga ervanuit dat het een plek geven, tijd kost. Blijf interesse tonen en het zal van grote steun zijn als je een kaartje stuurt of belt bij mijlpalen. Bijvoorbeeld een jaar na het verlies of wanneer iemand voor onderzoek naar het ziekenhuis is geweest.

Niet doen:

  • Dooddoeners (clichés) gebruiken als: ‘Ja, het leven is nu eenmaal geen feest’, ‘Hij of zij was al heel oud’, ‘Het komt wel goed’ of ‘Je moet je niet rot voelen, hij is het toch zo weer vergeten’.
  • Overdrijven in meeleven of de ander als een klein kind behandelen die gered moet worden.
  • De ander mijden omdat je eigenlijk niet weet wat je met de (eigen) emoties aan moet. Of juist dingen gaan doen, opruimen of schoonmaken, en hiermee een gesprek over rouw en verlies vermijden.
  • Valse troost bieden: ‘Gelukkig heeft zij of hij nu geen pijn meer’, ‘Je moet nu iets van je leven maken’ en ‘Zij of hij is nu bij onze lieve Heer’.
  • Te veel invullen voor een ander (NIVEA smeren) zoals: ‘Ik weet precies hoe je je voelt’ of advies geven over wat te doen: ‘Je moet op vakantie gaan”
  • Het gesprek ombuigen door te snel eigen en andermans ellende en ervaringen in te brengen en daarop doorgaan.
  • Verlies te snel afdoen met: ‘Ben je er nu nog niet overheen’, ‘Je moet door met het leven’ of het verlies proberen ‘op te lossen’ door voorstellen te doen waar een persoon echt nog niet aan toe is. ‘Zullen we de kledingkast uitruimen.’

Herken je eigen valkuilen

  • ‘Ik moet de pijn wegnemen en afleiden.’ Geestelijke pijn of smart is niet af te leiden. Je kunt wel bezorgdheid en compassie tonen, de ander laten praten of gewoon bij iemand zijn. Dit is wel het belangrijkste in wat je voor iemand die rouwt kunt doen: erkennen dat het verlies er is en alle emoties die dit oproept accepteren.
  • ‘Ik moet mijn cliënt opvrolijken, anders ben ik geen goede verzorgende.’ Je kunt niet met een grap of grol de pijn wegnemen, dan vraag je het onmogelijke van jezelf. Je kan er wel ‘zijn’, een lichtpuntje en luisterend oor. Ook in een gesprek met pijn en emoties kan er natuurlijk gelachen worden. Dit hangt af van de persoon en jullie relatie.
  • ‘Ik krijg stank voor dank, probeer te helpen en nu doen ze lelijk tegen mij, dat heb ik niet verdiend!’ Na verlies of tegenslagen reageren mensen anders dan je gewend bent, ze reageren heftig of juist niet. Boosheid is vaak een NEE tegen de situatie zelf, dat wat er aan de hand is. Opmerkingen die je maakt om bijvoorbeeld het verlies te verzachten (‘helpen’) vallen dan extra slecht.

Als team aan de slag

Het kan fijn zijn om als team stil te staan bij verlies en rouw; hoe herken je het? Met welke verliezen hebben jullie als team te maken gehad? En wat doet dat met jullie? Hoe kunnen jullie er zijn voor elkaar?

Rouwen mág, ook als er niemand is overleden

Omdat we rouw en rouwen zo sterk verbinden aan de dood, lijkt het soms alsof rouwen alleen toegestaan is bij overlijden. Naast rouwen om het verlies van een persoon, mag en kan er ook behoefte zijn om te rouwen om het verlies van een identiteit (dementie, hersenletsel), veiligheid, autonomie of dromen. Accepteer bij de ander en jezelf gevoelens van woede, verdriet en ontkenning. Deze gevoelens mogen er zijn! Want net zoals bij het verlies van een geliefde, kunnen rouw en het proces van rouwen helpen om een moeilijk hoofdstuk in het leven te doorstaan en te verwerken.

Bron: Met dank aan Margot van Acker, gespreksleider en trainer Moreel Beraad bij Pieter van Foreest. Het komt wel goed, communiceren door verzorgende en verpleegkundigen, Ronald Geelen 2011. Mind Correlatie.