Naar hoofdinhoud Naar footer

Valrisicobeoordeling

Laatst bijgewerkt op: 16-06-2026

Ouderen met een hoog valrisico worden beoordeeld op aanwezige valrisicofactoren, zodat gerichte adviezen en passende interventies kunnen worden ingezet. Met een valrisicobeoordeling breng je in kaart waardoor iemand een verhoogd risico heeft om te vallen. De valanalyse is het screeningsinstrument dat je hiervoor gebruikt. Omdat vallen vaak meerdere oorzaken tegelijk heeft, is het belangrijk om alle valrisicofactoren goed te bekijken. Hieronder lees je naar wie je kunt doorverwijzen voor het afnemen van de valanalyse en krijg je informatie over de valrisicofactoren waar je als zorgverlener op kunt letten.

Met een valrisicobeoordeling breng je in kaart waardoor iemand een hoog risico heeft om te vallen. De beoordeling wordt gedaan bij ouderen met een hoog valrisico en helpt om gerichte adviezen en passende interventies te kiezen. Dit kun je doen met de valanalyse.

Wie mag de valanalyse afnemen?

Volgens Zorginstituut Nederland valt de valrisicobeoordeling onder geneeskundige zorg. Dat betekent dat de valrisicobeoordeling moet worden uitgevoerd door huisartsen, specialisten ouderegeneeskunde en medisch specialisten. Paramedici zoals fysiotherapeuten en ergotherapeuten kunnen onder de verantwoordelijkheid van een huisarts, specialist ouderengeneeskunde of medisch specialist delen van de valrisicobeoordeling uitvoeren. In een regio moeten dan afspraken worden gemaakt over de organisatie van de valrisicobeoordeling. Het afnemen van de Valanalyse valt onder de basisverzekerde zorg.

Valrisicotest

Met de Valrisicotest bepaal je snel of een cliënt een laag, matig of hoog valrisico heeft. Dit doe je op basis van valgeschiedenis, valangst en mobiliteitsproblemen. Factoren zoals niet zelfstandig kunnen opstaan na een val of wegraking helpen om in te schatten of het risico matig of hoog is.

Valrisicotest

Voor een uitgebreide valrisicobeoordeling (valanalyse) kun je ouderen met een hoog valrisico doorverwijzen naar de huisarts. Lees meer over de Valanalyse

Valgeschiedenis  

Bij de valanalyse begin je altijd met het bespreken van de valgeschiedenis van de cliënt. Stel vragen over wat er is gebeurd rond de val. Cliënten vinden het meestal fijn om hun verhaal te doen en je weet beter waarop je moet letten bij het afnemen van de Valanalyse.

Een val kan soms een teken zijn van een onderliggende ziekte. We noemen dit een atypische ziektepresentatie. Let daarom goed op ‘rode vlaggen’ die een 'niet-pluis'-gevoel geven. Denk aan:

  • Je cliënt is plotseling vaker gaan vallen.
  • Je cliënt heeft vermoedelijk een hartaandoening. Dit is te herkennen aan wegraken tijdens de val, hartkloppingen of kortademigheid voor of na de val.
  • Je cliënt heeft plotseling functionele of cognitieve achteruitgang.
    • Voorbeeld van functionele achteruitgang: meer moeite met dagelijkse activiteiten uitvoeren.
    • Voorbeelden van cognitieve achteruitgang: meer moeite om dingen te onthouden of de woorden te vinden om iets te zeggen.
  • Je cliënt is onverklaarbaar in de afgelopen maand 3 kilo of meer afgevallen.
  • Je cliënt blijft vaker vallen, ook na de inzet van valpreventieve interventies.

Deze rode vlaggen kunnen wijzen op een onderliggende ziekte die een rol speelt. De ziekte haal je niet uit de Valanalyse.

Is er een rode vlag? Verwijs dan direct door naar een huisarts of valpolikliniek voor het afnemen van een Comprehensive Geriatric Assessment (CGA).

Andere valrisicofactoren 

Na de valgeschiedenis beoordeel je de andere valrisicofactoren met testjes en vragen. Denk hierbij aan angst om te vallen, problemen met lopen of balans, duizeligheid, slecht zien, medicijngebruik en cognitie. Vaak spelen meerdere factoren tegelijk een rol.

Verminderde mobiliteit is een van de belangrijkste valrisicofactoren. Problemen met balans, lopen en spierkracht verhogen het risico om te vallen. Beenspieren zijn van groot belang bij het verplaatsen, tillen en opstaan. Let op langzaam lopen, onzeker bewegen of steun zoeken.

Valpreventieve beweeginterventies zijn effectief om het valrisico te verlagen. Deze dragen bij aan het verbeteren van balans en spierkracht. Er zijn in Nederland drie valpreventieve beweeginterventies erkend door het RIVM: Vallen Verleden Tijd, In Balans en Otago.

Naarmate mensen ouder worden, stijgt het aantal gezondheidsklachten en daarmee ook het gebruik van medicijnen. Daarbij wordt het lichaam steeds gevoeliger voor bijwerkingen van medicijnen. Dit verhoogt de kans op negatieve effecten van medicatie, waaronder valrisico.

Valrisicoverhogende medicatie zijn:

  • psychofarmaca: slaap- en kalmeringsmiddelen, antidepressiva, antipsychotica en anti-epileptica.
  • cardiovasculaire middelen: hart- en bloeddrukmedicatie.
  • pijnstillers: opioïden.
  • antihistaminica: tegen allergieën.
  • urologica: voor blaas of prostaat. 

Deze middelen kunnen bijwerkingen geven zoals duizeligheid, sufheid of een lagere bloeddruk, waardoor het risico op vallen toeneemt. Ook meerdere medicijnen tegelijk kunnen het valrisico vergroten.

Let goed op valrisicoverhogende medicatie en veranderingen na het starten of aanpassen van medicatie. Vergeet ook niet de middelen die iemand zelf bij de drogist haalt. De huisarts of apotheker kan meekijken en zo nodig een medicatiebeoordeling doen.

Bekijk de folder Medicatie en vallen

Vaak worden ouderen na een val bang om nogmaals te vallen. Maar ook zonder zelf gevallen te zijn, kunnen ouderen valangst ontwikkelen. Bijvoorbeeld als reactie op hun kwetsbaarheid. Door valangst kunnen ouderen in een neerwaartse spiraal terecht komen. Valangst leidt vaak tot het vermijden van fysieke activiteiten. Dit leidt tot een verlies van spierkracht, coördinatie en flexibiliteit, waardoor de kans op een val toeneemt.

Let op het vermijden van activiteiten door onzekerheid. Betrek zo nodig een fysiotherapeut of ergotherapeut. Bij een aanwezige valangst kun je ook de mogelijkheid voor het volgen van een cursus bespreken.

Cognitieve stoornissen kunnen de kans op een val vergroten. Cliënten met een cognitieve stoornis schatten hun eigen mogelijkheden en taken die zij moeten uitvoeren verkeerd in. Ze begrijpen opdrachten onvoldoende en weten niet goed welke risico’s bepaald gedrag met zich meebrengt. Bij gevorderde dementie gaan ook fysieke functies zoals balans, spierkracht en uithoudingsvermogen verloren. Daarnaast kunnen neurologische mechanismen achteruit gaan. Symptomen van depressie leiden mogelijk ook tot vallen. Dat hangt samen met een afname van lichamelijke activiteit, verminderde aandacht voor de omgeving en het gebruik van psychotrope medicatie.

Let op verwardheid, somberheid en vergeetachtigheid. De huisarts, casemanager of wijkverpleegkundige kan ondersteunen.

Veel mensen merken het niet als hun gezichtsvermogen slechter is geworden. Stoornissen in het gezichtsvermogen zijn onder andere verminderde diepteperceptie, verminderde gezichtsscherpte en verminderde contrastgevoeligheid. Dit brengt risico’s met zich mee. Verwijs naar opticien of oogarts als je merkt dat je client moeite heeft met zien.

Duizeligheid is een veelvoorkomend probleem bij ouderen. Er kan sprake zijn van orthostatische hypotensie, een stoornis in de bloeddrukregulatie wanneer de duizeligheid optreedt na het overeind komen. Ook andere factoren kunnen een rol spelen, zoals een cardiovasculaire aandoening of een vestibulaire aandoening.

Bij draaiduizeligheid die optreedt bij hoofdbewegingen kun je verwijzen naar de huisarts of fysiotherapeut voor specifieke oefeningen. Bij andere vormen van duizeligheid verwijs je naar de huisarts.

Incontinentie kan het valrisico beïnvloeden. Met name urge-incontinentie kan ervoor zorgen dat ouderen zich haasten naar het toilet. Het kan ook een indicatie zijn van verminderde neuromusculaire controle en daarmee een indicator voor algehele kwetsbaarheid. Verwijs bij onvrijwillig urineverlies door naar de huisarts, thuiszorg of thuiszorgwinkel.

Het gehoor speelt een belangrijke rol bij het behouden van het evenwicht. Een slecht gehoor kan er ook voor zorgen dat mensen zich minder bewust zijn van hun omgeving en daarmee een kortere tijd hebben om te reageren. Ook een eventuele schrikreactie kan een rol spelen. Verwijs bij gehoorproblemen door naar de huisarts of audicien.

Moeite hebben met ADL is een onafhankelijke risicofactor voor vallen. Het valrisico is verhoogd wanneer een cliënt moeite heeft met ADL of daarbij hulp nodig heeft. Hoe meer hulp er nodig is bij ADL, hoe hoger het risico om te vallen.

De meeste valongevallen bij zelfstandig wonende ouderen vinden in of om huis plaats. Er zijn veel omgevingsfactoren die geassocieerd worden met een verhoogd valrisico, zoals:

  • gladde vloeren
  • losliggende tegels
  • slechte verlichting

Deze factoren zijn op zichzelf nog geen directe risicofactor voor vallen; een val ontstaat vaak door de interactie tussen de omgeving (extrinsieke factoren) en de fysieke competenties van ouderen (intrinsieke factoren). Een oudere met ernstige visuele beperkingen, een slechte balans of verminderde spierkracht valt sneller na een balansverstoring dan een jongere of fittere oudere, bijvoorbeeld door een losliggende tegel.

Weest alert op de omgevingsfactoren en bespreek dit met de client. De ergotherapeut of gemeente kan helpen met aanpassingen.

Voetproblemen komen bij ouderen veel voor. Voorbeelden zijn eeltknobbels, teenafwijkingen, ingegroeide nagels, blaren, zweren of amputatie van een of meer tenen. Als gevolg hiervan kunnen zij meer moeite hebben met lopen en balans, waardoor een verhoogd valrisico ontstaat. Let op de conditie van de voeten en signalen zoals pijn of moeizaam lopen. Betrek een podotherapeut, pedicure of huisarts waar nodig.

Ook is bekend dat ongeschikt schoeisel de kans op vallen kan vergroten. Adviseer bij slecht schoeisel: een goede pasvorm (niet te groot of klein), voldoende ruimte bij de tenen, een flexibele en niet‑gladde zool, een brede zool met lage hak, lichte schoenen en veters die goed vast blijven. Schoenen van leer zijn het meest geschikt.

Voeding beïnvloedt verschillende onderliggende risicofactoren voor vallen, zoals spiermassa, spierkracht en balans. Voedingsstoffen zoals eiwitten, vitamine D, calcium, antioxidanten en onverzadigde vetzuren zijn belangrijk voor het behoud van bot- en spierweefsel. Een tekort aan vitamine D komt veel voor bij kwetsbare ouderen en bij ouderen die vallen.

Zowel ondervoeding als ernstig overgewicht kunnen het valrisico verhogen. Ondervoeding bij ouderen ontstaat door diverse factoren, zoals verminderde eetlust, hormonale veranderingen, spijsverteringsproblemen, kauw- of slikproblemen, beperkingen in koken of boodschappen doen en psychische problemen zoals dementie of depressie. Let op signalen zoals gewichtsverlies of weinig eten. De diëtist of huisarts kan hierbij ondersteunen.

Ook ernstig overgewicht vormt een risico. Bij het ouder worden neemt de energiebehoefte af. Wanneer de energie-inname gelijk blijft terwijl het energieverbruik daalt, kan overgewicht ontstaan. Dit is vooral een probleem wanneer het vetpercentage stijgt terwijl de spiermassa afneemt, ook wel sarcopene obesitas genoemd.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg krijgt nog steeds meldingen van ongelukken met tilliften. Als een zorgverlener niet (goed) geschoold is, is deze niet goed op de hoogte van de risico’s van de tillift en de wijze waarop de tillift gebruikt moet worden. Als een cliënt ondanks alle preventieve maatregelen toch valt kun je proberen de val te begeleiden, waardoor er een zachte landing ontstaat.   

Geef advies op maat

Op basis van de valrisicobeoordeling geef je advies op maat en verwijs je mogelijk door naar passende interventies. Bespreek daarbij de wensen, behoeften en mogelijkheden met de cliënt. Samen bepalen jullie welke valrisicofactor(en) het eerst worden aangepakt. En welke interventie of welk advies daar het beste bij aansluit.

Lees meer

Agenda over valpreventie

Er zijn geen agenda-items gevonden

Inschrijven nieuwsbrief

Wil jij als eerste op de hoogte blijven van praktijkvoorbeelden, nieuws, tools en bijeenkomsten over de ouderenzorg? Meld je dan aan voor de nieuwsbrief!


Voor meer informatie over de verwerking van persoonsgegevens, zie onze privacyverklaring.