Zorgvoorbeter.nl gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.

www.zorgvoorbeter.nl

Thema: Huidletsel

Cijfers: hoe vaak komt huidletsel voor?

De Landelijke Prevalentiemeting geeft cijfers over:

  • Decubitus (doorligwonden)
  • Smetten
  • Chronische wonden

Decubitus (doorligwonden): alert blijven

Decubitus komt veel voor, leidt tot veel ongemak en pijn bij cliënten en ook tot hoge kosten in de gezondheidszorg. Decubitus doet zich vooral voor bij oudere cliënten, wat verklaard kan worden uit factoren als verminderde mobiliteit, slechtere voedingstoestand en verminderde weefseltolerantie.
De laatste jaren is de prevalentie van decubitus flink gedaald. Sinds 2011 stagneert de daling. In de chronische zorg lijkt er zelfs sprake van een lichte toename. Bovendien, zo blijkt uit de Landelijke Prevalentiemeting 2015, zien we een lichte stijging van de meer ernstige vormen van decubitus (categorie 3 en 4). De meeste decubitus komt nog steeds voor op de stuit en de hielen en betreft categorie 1. De meeste wonden bestaan korter dan drie maanden, maar in de chronische sector is het percentage wonden met een duur van 6 maanden of langer toegenomen. Mede omdat de meer ernstige vormen van decubitus ook vaker voorkomen, kan dit een aanwijzing zijn dat in de chronische sector juist de behandeling van decubitus verbeterd kan worden, aldus de onderzoekers.  
Decubitus komt vooral voor bij cliënten met een slechtere gezondheid en grotere hulpbehoefte. Juist bij die cliënten moet men dus extra alert zijn.

Wisselligging

Een adequate preventie start met het beoordelen van het risico en vervolgens met het inzetten van een antidecubitusmatras en het gebruik van wisselligging. Daarna moet de genomen maatregel worden geëvalueerd en eventueel bijgesteld. Het beoordelen van het risico is belangrijk om vast te stellen of, en zo ja, welke, preventieve maatregelen nodig zijn. Het inzetten van een antidecubitusmatras vindt in de acute en de chronische sector bij de meeste cliënten met een verhoogd risico op decubitus plaats. Wisselligging wordt echter weinig toegepast, vooral in de chronische sector. Opmerkelijk is dat men nauwelijks hielbeschermers inzet, ofschoon de meeste decubitus, na de stuit, op de hiel voorkomt.   

Oorzaken voor stagnatie van de daling

Allereerst geldt dat niet alle decubitus voorkomen kan worden, en dit zou erop kunnen duiden dat we de ondergrens bereikt hebben. Hiervoor pleit dat we al enkele jaren ongeveer dezelfde prevalenties vinden. Maar er zijn wel grote verschillen tussen instellingen. Sommige verpleegzorginstellingen rapporteren zelfs geen enkele decubitus graad 2 of hoger. Gezien de beperkte inzet van preventieve maatregelen (wisselligging, hielbeschermers etc.) lijkt het aannemelijk dat een verdere daling zeker mogelijk is. 

Aanbevelingen

  1. Wisselligging
    Er is winst te boeken door wisselligging breder in te zetten.  Het minder toepassen van wisselligging verklaart mede het verschil tussen Nederland en Duitsland (in Duitsland in vergelijking met Nederlandse ziekenhuizen en verpleeghuizen is de kans op decubitus veel groter).
  2. Alert blijven en continue kwaliteitsverbetering
    Het moet voor alle zorgverleners duidelijk zijn dat, ondanks de aanstelling van een aandachtsvelder, het voorkomen van decubitus een taak van iedereen is. Kwaliteitsverbetering moet een continu proces, waarbij voldoende bijscholing onderdeel is. 
  3. Controle van de zorg
    Zo is zeker dat de vereiste preventieve maatregelen daadwerkelijk uitgevoerd zijn. Hierin kan de aandachtsvelder een belangrijke rol in spelen.

Bron: Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen 2015 (pdf).

Smetten

Smetten ontstaat door huid-op-huid contact in de plooien, de aanwezigheid van warmte en vocht (Janniger et al., 2005; Eekhof & Neven, 2007; Selden, 2009; Draijer & Folmer, 2009) en onvoldoende luchtcirculatie (Janniger et al., 2005). Bij smetten is er altijd sprake van (glanzende) roodheid van de huid aan beide kanten van de plooi. Daarnaast kan er sprake zijn van een aantal andere objectieve symptomen, zoals maceratie (verweking), erosies, exsudaatvorming (nattende huid), fissuren en korstvorming.
Subjectieve kenmerken zijn onder andere pijn, jeuk, een schrijnend, brandend gevoel en een onaangename geur (Braun-Falco 2000; Van Vloten et al. 2000; Mistiaen et al. 2004; Janniger et al. 2005; Selden 2009). Smetten komt met name voor in de liezen, de oksels, de bilnaad, de buikplooi en onder de borsten (Arndt & Bowers 2002; Van Beelen 2001; Janniger et al. 2005). Vrouwen en ouderen hebben een verhoogd risico op het ontstaan van smetten. Daarnaast neemt het risico op smetten toe bij personen met obesitas, Diabetes Mellitus, verminderde mobiliteit, verhoogde lichaamstemperatuur en bij personen die overmatig zweten of incontinent zijn van urine (Mistiaen et al. 2003; Janniger et al. 2005; Selden 2009).

Landelijke Prevalentiemeting

Uit de jaarlijkse Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen (LPZ) blijkt dat smetten bij 7% voorkomt van alle onderzochte cliënten in de chronische sector en de thuiszorg. In de thuiszorg is de prevalentie hoger dan in de chronische sector waar de dalende trend zich voortzet. De prevalentie van smetten stijgt bij een toename van het aantal ziektebeelden en de zorgafhankelijkheid. De meest voorkomende locaties van smetten zijn de borst- en de liesplooi. Meer dan een kwart van de smetplekken bestaat al meer dan 1 jaar, terwijl de meeste smetplekken in de chronische sector op de eigen afdeling ontstaan zijn.
Bij de kwaliteitsindicatoren op instellingsniveau valt op dat in de chronische sector relatief weinig instellingen in de laatste twee jaar een bijscholing voor het personeel hebben georganiseerd. Verder is op afdelingsniveau een daling in de aanwezigheid van aandachtsvelders smetten te zien. Mogelijk zijn beide een effect van de vele veranderingen in de chronische zorg, waardoor minder tijd beschikbaar is, aldus de onderzoekers. 

Aanbevelingen

  1. Het maken van een op de instelling toegesneden verbeterplan, hierbij kan de jaarlijkse LPZ meting helpen.
  2. De landelijke richtlijn smetten (V&VN 2011) verspreiden en implementeren, vooral onder verpleegkundigen en verzorgenden
  3. Het ontwikkelen van een informatiefolder voor cliënten, liefst op landelijk niveau.

Bron: Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen 2015 (pdf).

In de literatuur worden veel adviezen gegeven voor de preventie en behandeling van smetten. In een inventarisatie van richtlijnen over smetten in Nederlandse zorginstellingen (Poot et al. 2003) werden tal van interventies gevonden, zoals wassen, föhnen, gebruik van zinkolie, talkpoeder of scheurlinnen. Een systematische review (Mistiaen et al. 2004) identificeerde maar liefst 25 verschillende middelen die zijn onderzocht bij smetten, maar er bleek nauwelijks bewijs te zijn voor hun werkzaamheid.

Chronische wonden

Een wond die zodanig gecompliceerd is dat wondgenezing niet optreedt, noemt men een chronische of gecompliceerde wond (Lazarus et al. 1994, Robson 1997). Chronische wonden leiden vaak tot een verminderde kwaliteit van leven, bijvoorbeeld door pijn, slapeloosheid, beperking van de mobiliteit, emotioneel leed, sociaal isolement en lusteloosheid (Herber et al 2007). Bovendien leidt het tot extra gebruik van de gezondheidszorg, waardoor chronische wonden gepaard gaan met hoge extra kosten, zowel voor de gezondheidszorg als voor de cliënt zelf. Directe kosten voor chronische wonden worden in Groot-Brittannië geschat op £ 2-3 miljard per jaar (Harding en Queen, 2011). In de Verenigde Staten kosten 6,5 miljoen patiënten met een chronische wond meer dan US $ 25 biljoen per jaar (Sen et al., 2009).

Toename

Net als bij de vorige Landelijke Prevalentiemeting zien de onderzoekers een toename van het aantal chronische wonden. Binnen verpleeghuissector een stijging van 4,7% in 2013 naar 5,4% in 2015. Een groot deel van de chronische wonden betrof decubituswonden en in mindere mate leg ulcers. De anatomische locatie van deze wonden komt overeenkomt met die van de decubitus wonden, dus voornamelijk op de stuit en de hielen. Cliënten met een grotere zorgafhankelijkheid hebben vaker een chronische wond. Bij slechts enkele wonden is aanvullend diagnostisch onderzoek verricht.
In niet alle instellingen is de laatste 2 jaar een bijscholing of themabijeenkomst georganiseerd over de preventie en behandeling van chronische wonden. Op afdelingsniveau is beduidend beter dan in 2014 aan de kwaliteitsindicatoren voldaan. En in de verpleeghuissector is meer dan in 2014 een aandachtsvelder beschikbaar. Er is net als in 2014 nauwelijks een informatiebrochure aanwezig.

Aanbevelingen 

  1. Maak een diagnose 
    Voor een goede behandeling van een chronische wond is het belangrijk dat eerst de oorzaak vastgesteld wordt. De diagnose en oorzaak moeten in het zorgdossier van de cliënt geregistreerd worden en onderwerp zijn tijdens het multidisciplinaire overleg. Op basis hiervan dient een behandeling ingezet te worden, waarna op de afdeling onder regie van een aandachtsvelder verantwoording wordt genomen om de behandeling conform de gemaakte afspraken uit te voeren.
  2. Een zorgpad, of een specifiek protocol of richtlijn met betrekking tot chronische wonden kan de instelling behulpzaam zijn bij het verbeteren van de zorg voor cliënten met chronische wonden.

Bron: Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen 2015 (pdf).

Wil je hierop reageren?

Jouw reactie

Wil je een link invoegen in de tekst? Zet deze tussen []. Voorbeeld: [www.zorgvoorbeter.nl] of [http://www.zorgvoorbeter.nl]. Velden met een (*) zijn verplicht.