Geestelijke gezondheidszorg wil familie meer betrekken
Familieleden moeten nadrukkelijker betrokken worden bij de behandeling, verzorging en begeleiding van cliënten. Om hen een stem te geven heeft ggz-instelling GGNet (Oost-Nederland) een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de familieraad. “We kijken hoe we in alle opzichten de stem van de familie gelijk kunnen maken aan die van de cliëntenraad”, zegt geneeskundig bestuurder Kees Lemke.
GGNet had al jarenlang een familieraad waarmee ook een convenant was getekend. “Maar als je de positie in de organisatie vergeleek met die van de cliëntenraad, was de familieraad onvoldoende sterk”, legt Lemke uit. Door een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan kunnen de familieleden, net als de cliëntenraad, jaarlijks aangeven wat zij belangrijk vinden om de zorg te verbeteren. Zo sturen zij inhoudelijk mee op het beleid van de hele organisatie.
Familie heeft veel contact
Lemke hecht veel belang aan deze nieuwe manier van samenwerken. “Als je naar de langdurige zorg kijkt, hebben wij misschien een keer in de drie weken contact met een cliënt. Als het goed is, heeft de familie een groot deel van de week contact. Soms wonen de cliënten ook nog thuis. De familie ziet dan het beste of het wel of niet goed gaat en ervaart bovendien ook veel last als bepaalde hulp ontbreekt.”
Grote invloed
De familieraad van GGNet bestaat uit een groep van zeven mensen die direct overleg voert met de raad van bestuur van de instelling. Daarnaast is er een adviesraad van elf mensen die 650 familieleden vertegenwoordigen. Hun invloed is volgens de bestuurder niet gering: “De afspraak is dat bij bestaande en nieuwe cliënten wordt gekeken naar de rol van de familie. De familie kan al betrokken worden bij het onderzoek maar ook bij de begeleiding en behandeling. De manier waarop dat gebeurt, maakt onderdeel uit van het behandelplan.”
In de kinderschoenen
“Familieparticipatie staat binnen de ggz nog in de kinderschoenen”, geeft Lemke toe. “Het is extra werk waar je oog en tijd voor moet hebben, terwijl de financiering ontbreekt. Gelukkig maakt minister Klink van VWS er meer werk van en wordt er gesproken over het instellen van familievertrouwenspersonen. Ik besef ook wel dat wij niet een geweldige uitvinding hebben gedaan, maar we proberen wel consequent en niet vrijblijvend de familie er bij te betrekken.”
Bron: Psy, 3 februari 2010