“Wacht niet op dat ene grote incident dat de kranten haalt. Daarvoor is het leed te groot.”
In dit verbetertraject kunnen organisaties die langdurig zorg bieden, bijvoorbeeld in de ouderenzorg, thuiszorg of gehandicaptenzorg, aan de slag met de preventie van seksuele intimidatie en seksueel misbruik. Veel mensen denken bij intimidatie en misbruik aan verkrachting en aanranding, maar ook zaken die meer in het ‘grijze gebied’ liggen, zoals ongewenste aanrakingen, verbale bedreigingen en toespelingen komen daarbij aan de orde. Het gaat dus nadrukkelijk om het hele spectrum van intimidatie en misbruik.
In het verbetertraject wordt gewerkt aan preventie van misbruik door verschillende plegers: medecliënten, hulpverleners en derden zoals familieleden. Interessant is dat de aandacht voor medecliënten als plegers in het verleden achtergebleven is bij de aandacht voor hulpverleners als plegers. In die zin is daar nog een inhaalslag te doen.
Daarnaast besteden we in het verbetertraject aandacht aan primaire en secundaire preventie. Primaire preventie is er naar streven dat intimidatie en misbruik überhaupt niet voorkomt. De praktijk daarin is uiteraard erg weerbarstig: het komt overal in de samenleving voor, maar je wilt het natuurlijk wel zo veel mogelijk minimaliseren. Secundaire preventie is erop gericht dat, als intimidatie of misbruik heeft plaatsgevonden, slachtoffer en pleger zo goed mogelijk begeleid worden om de schade voor beiden zo beperkt mogelijk te houden
Waar werken organisaties naar toe als ze deelnemen aan dit verbetertraject?
Het is belangrijk dat organisaties werken aan een open maar ook gepast klimaat waarin cliënten, het netwerk van cliënten, maar ook de eigen medewerkers de ruimte hebben én ervaren om in de dagelijkse omgang met elkaar over seksualiteit en misbruik te praten. Ook moeten al deze mensen weten bij wie ze terecht kunnen als ze vragen hebben of een vermoeden hebben van seksueel misbruik. Daarvoor is het nodig dat het management daar gericht op stuurt en dus het bespreekbaar maken van seksualiteit als relevant thema op de agenda zet binnen de organisatie.
Wat betekent het voor organisaties om deel te nemen?
Elke organisatie die mee doet, onderzoekt eerst wat in de eigen organisatie sterke punten zijn en waar nog wat te verbeteren is. Vervolgens kiest men uit wat men wil verbeteren en hoe ze dat gaan aanpakken. Ze kunnen dan gebruik maken van verschillende maatregelen die deskundigen relevant vinden. Organisaties zouden op verschillende niveaus aan dit thema moeten werken: direct met cliënten, direct met sociale netwerken en met de eigen medewerkers. Als je dan kijkt naar het werken met cliënten, blijkt het bijvoorbeeld erg belangrijk om in de zorgplannen aandacht te besteden aan zaken als lichaamsbeleving, relaties en seksualiteit, seksuele opvoeding en misbruik. Men moet daarbij afspreken wat de rol is van de ouders en wat die van de begeleiders. En dat vertalen in concrete doelstellingen en activiteiten. Dat is bijvoorbeeld één van de maatregelen die door deskundigen als zeer belangrijk wordt beschouwd.
Het hangt van de eigen organisatie af aan welke maatregelen ze gaan werken; dit is gerelateerd aan hun sterke en zwakke punten. Het verschilt daarom per organisatie waar ze mee aan de slag gaan. Maatregelen worden eerst op kleine schaal uitgeprobeerd, bijvoorbeeld bij een klein aantal cliënten met een klein team van medewerkers. Dan kijk je wat de resultaten daarvan zijn. Vervolgens pas je de acties eventueel aan, afhankelijk van de resultaten. En als duidelijk is wat in een organisatie werkt, dan pas wordt het op grotere schaal ingevoerd. Zo voorkom je dat grote groepen mensen in de organisatie geconfronteerd worden met een verandering, die achteraf niet blijkt te werken. Dat scheelt veel frustratie, tijd en daarmee geld.
Welke vorm van ondersteuning kunnen deelnemende organisaties verwachten?
In zo’n verbetertraject gaan zorgorganisaties met elkaar aan de slag. Er zijn in dit geval 15 organisaties die samen aan de preventie van seksueel misbruik werken. Zij komen gedurende één jaar 5 of 6 keer een dag bij elkaar. Op deze dagen staat het gezamenlijk leren centraal: organisaties wisselen ervaringen (zowel successen als valkuilen) uit, leggen ideeën aan elkaar voor en reageren daarop. Andere verbetertrajecten hebben ons geleerd, dat daardoor leerprocessen in een stroomversnelling terecht komen. En dat het gezamenlijke werken heel inspirerend kan zijn. Bovendien sta je samen altijd sterker.
Naast deze gezamenlijke aanpak krijgen organisaties individuele ondersteuning door een kernteam van experts op het gebied van preventie van seksueel misbruik en innovatie in die zin dat er regelmatig contact is om de voortgang te bespreken en mee te denken over hoe men zaken binnen de organisatie nog beter kan neerzetten. In het kernteam is expertise van NIZW Zorg, de Rutgers Nisso Groep en TransAct gebundeld. Rutgers Nissogroep en TransAct hebben veel expertise op het gebied van seksualiteit en misbruik en werken al jaren lang in de zorgsector. Zij hebben veel ervaringen hoe je dit soort zaken kan aanpakken. Daarnaast kan er altijd een beroep worden gedaan op een pool van deskundigen voor specifieke vragen.
Hoe vaak komt seksueel misbruik voor?
Cijfers over het voorkomen van seksueel misbruik lopen heel erg uiteen. Dit wordt veroorzaakt door verschillende manieren van meten tijdens onderzoeken, maar ook door verschillende definities. Daarom is het lastig te beoordelen hoe vaak intimidatie en misbruik nu precies voorkomen. Deskundigen gaan er echter vanuit dat het aantal meldingen het topje van een ijsberg is. Dit heeft vooral te maken met de situatie van mensen die langdurige zorg ontvangen: dit zijn vaak mensen die in een afhankelijke positie zitten. Zij hebben vaak te maken met isolement en machtsverschillen. En juist deze mensen zijn extra kwetsbaar voor misbruik.
Bijvoorbeeld een vrouw die al jarenlang thuiszorg krijgt van solo-opererende medewerker. Ze heeft wellicht een mager sociaal netwerk, waardoor zij zeer afhankelijk kan zijn van die ene medewerker, zowel in emotionele als fysieke zin.
Ook een jongere die veel hulp nodig heeft bij wassen en aankleden kan kwetsbaar zijn. Hij of zij wordt dan voortdurend aangeraakt. Hoe leert zo’n jongere dan te onderscheiden wanneer een aanraking gewenst is of ongewenst, en welke bedoeling een aanraking heeft? Hoe weet hij, als een medeclient hem aanraakt, of hij dat zelf wel wil? Kan iemand met een minder cognitief vermogen überhaupt makkelijk vertellen wat prettig is en wat niet? En hoe ga je daar als ouders en zorgorganisatie mee om?
Waarom adviseer je organisaties om mee te doen?
Ik vind het heel belangrijk voor instellingen om aan dit verbetertraject deel te nemen. Zeker als je bedenkt wat de impact voor cliënten kan zijn van intimidatie en misbruik: het is vaak chronisch, het komt vaak niet één keer maar vaker gedurende een langere tijd voor. Intimidatie of misbruik worden vaak slecht opgemerkt door de omgeving of cliënten durven of kunnen er niet over te praten. En stel je voor wat het betekent als jij die cliënt bent en het wordt niet gezien of er wordt niks mee gedaan? Zelf weet je niet goed wat je ermee moet doen of je hebt helemaal geen mogelijkheden om het duidelijk te maken, omdat je niet kan praten bijvoorbeeld, en daar zit je dan. Als je je dat realiseert, is die impact enorm. Iedereen weet natuurlijk hoe ingrijpend intimidatie en misbruik kan zijn. Dus doe er alles aan om dit te voorkomen, zou ik zeggen, en wacht niet op dat ene grote incident dat de kranten haalt. Daarvoor is het leed van de slachtoffers veel en veel te groot.
Wat kunnen organisaties als resultaat verwachten van dit verbetertraject?
In principe duurt zo’n verbetertraject één jaar. Preventie van seksuele intimidatie en misbruik is niet iets dat je in één jaar goed op poten hebt gezet. Waar we wel van uitgaan is dat organisaties die meedoen na een jaar de capaciteit hebben om het zelf verder te ontwikkelen. Dat betekent dat ze de noodzakelijke kennis hebben ten aanzien van preventie van seksueel misbruik. Dat ze weten hoe ze een cultuurverandering ten aanzien van het bespreekbaar maken van seksualiteit en preventie van misbruik kunnen realiseren. De organisaties zijn ook in staat om bij zichzelf te kijken wat de sterke punten en wat verbeterpunten zijn. En te beoordelen welke maatregelen ze kunnen nemen en wat het effect daarvan is.
Bovendien krijgen de organisaties een relevant netwerk: want juist doordat je met 15 organisaties deelneemt doe je ook allerlei contacten op. Het doel is dat je na dat jaar voldoende in huis hebben om het zelf te doen en uiteindelijk ervoor te zorgen dat de cliënten minder te maken hebben met intimidatie en misbruik. Mochten ze er toch mee te maken krijgen dan kan er op een goede manier op gereageerd worden, zodat het stopt en de gevolgen zo goed mogelijk opgevangen kunnen worden.
Kunnen instellingen nog meedoen?
Er is nog een ronde die start in mei van dit jaar. In september start een tweede ronde. De eerste ronde is nagenoeg vol. Als organisaties in mei willen meedoen dan moeten ze heel snel zijn om zich op te geven. Organisaties kunnen zich nu echter ook al aanmelden voor de tweede ronde.
Tot nog toe hebben alleen organisaties vanuit de gehandicaptenzorg zich voor dit verbetertraject opgegeven. Organisaties vanuit de thuiszorg of ouderenzorg hebben nog niet van zich laten horen.
We weten echter dat er in de thuiszorg en ouderenzorg nog weinig gewerkt is aan preventie van intimidatie en misbruik van cliënten. Er zijn nog veel organisaties die geen beleid of protocollen hebben en er wordt door deskundigen ook wel gesuggereerd dat seksualiteit, intimidatie en misbruik van cliënten daar een taboeonderwerp is.
Duidelijk is echter wel dat ook bij cliënten in de thuiszorg en in de ouderenzorg intimidatie en misbruik voorkomt. Denk bijvoorbeeld aan ongewenste contacten tussen cliënten, bij bijvoorbeeld dementerende of ontremde cliënten. Daarom doen wij graag een oproep naar organisaties in deze branche: wie wil meewerken, om te kijken wat er in de thuiszorg en ouderenzorg bereikt kan worden? Wie wil hierin een voorloper zijn? Wie durft?
Organisaties krijgen nadat ze zich opgegeven hebben, een intakegesprek met enkele mensen van het kernteam. In dit gesprek wordt nagegaan of verwachtingen en doelstellingen overeen komen, en of de organisatie voldoet aan enkele randvoorwaarden om succesvol mee te doen. Uit ervaring met andere verbetertrajecten weten we dat het bijvoorbeeld belangrijk is dat er groot commitment van het management is en dat er voldoende tijd en middelen beschikbaar moeten zijn.
Meer informatie
Voor aanmelding of extra informatie over dit verbetertraject of andere verbetertrajecten kunnen de organisaties contact opnemen met het secretariaat van de verbetertrajecten, telefoon (030) 230 65 75 of mail verbetertrajecten@zorgvoorbeter.nl.