De positieve effecten van eten in huiskamerambiance
Kristel Nijs is in juni gepromoveerd op een onderzoek naar maaltijdambiance.
Wat hield het onderzoek in?
Het onderzoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel is het inventariseren van de mogelijkheden in verpleeghuizen wat betreft eten en drinken. Er zijn drie verschillende vormen van ambiance tijdens het eten. Ten eerste een restaurant in een verpleeghuis waarbij alle cliënten op een centrale plek in het huis komen om te eten. Daarnaast is er ook koken op de afdeling, waarbij de mensen zelf bijvoorbeeld de aardappels wassen. Tot slot bestaat er ook een huiskamerambiance waar men gezellig met elkaar kan eten. Elke vorm heeft zijn voor- en nadelen. Wij vinden dat de huiskamerambiance het meest geschikt is in een verpleeghuis. Omdat dit het meest aansluit op de situatie van vroeger, maar ook omdat de meeste verpleeghuizen dit wel aankunnen qua financiën en andere zaken.
De vorm van huiskamerambiance heb ik uitgewerkt in het tweede deel van mijn onderzoek. In vijf verpleeghuizen had ik twee afdelingen nodig, die gelijk waren aan het soort bewoners, zoals leeftijd, aandoening, aantal, maar ook gelijk aan infrastructuur. Op één afdeling werd dan het oude systeem behouden. En op de andere afdeling gingen we met huiskamerambiance aan de slag. Dat betekent dan dat de tafels gedekt werden met porseleinen borden en volledig bestek. Ook in het menu kon men kiezen wat men wilde eten. De oude manier hield onder andere in dat de bewoners een dienblad met een maaltijd kregen voorgeschoteld.
Er zijn wel wat regels aan de huiskamerambiance verbonden. Er mogen bijvoorbeeld geen andere activiteiten worden uitgevoerd in de eetzaal, zoals stofzuigen of medicatie. Er is een vast tijdstip dat iedereen gezamenlijk eet. Er mag ook niet in- en uitgelopen worden. Ook het bezoek wordt gevraagd tijdens de eettijden niet in en uit de eetkamer te lopen.
Wat zijn de resultaten van dit onderzoek?
Wat we zien is dat in zes maanden tijd de kwaliteit van leven in de interventiegroep stabiel blijft en dat de controlegroep achteruit gaat. We letten daarbij op wat mensen zeggen nog te kunnen. Daarnaast werden er ook vragen gesteld over de gemoedstoestand van de bewoners. Wat wij zagen in de controlegroep is dat de mensen het idee hadden dat ze achteruit gingen. Ook voelden de bewoners zich vaak triester dan de mensen in de interventiegroep. Het gevoel van veiligheid was ook verminderd binnen de controlegroep.
In de grove motoriek van de bewoners zagen we geen verschil bij beide groepen. We zagen wel een verandering in de fijne motoriek, zoals telefoongebruik, eten opscheppen en gezicht wassen. We zagen dat de mensen in de controlegroep dit minder goed konden doen na 6 maanden dan in de interventiegroep.
Tot slot hebben we gemeten dat de cliënten in de interventiegroep gemiddeld een halve kilo aankwamen, waar de cliënten van de controlegroep gemiddeld een kilo afvielen na zes maanden. Dit feit werd ook bevestigd door de inname. In de controlegroep zag je dat wat de interventiegroep meer at, de controlegroep juist minder ging eten.
Verpleeghuisbewoners zitten in de laatste fase van hun leven. Dan speelt de kwaliteit van leven een grote rol. We zien dus dat als je het gezellig maakt, dat grote consequenties heeft voor de kwaliteit van leven. We weten daarnaast dat er veel problemen zijn in de verpleeghuizen met ondervoeding. In dit onderzoek hebben we dus gezien dat je met hetzelfde eten maar in een andere ambiance de voeding veel beter gaat.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft een grote omslag plaatsgevonden wat betreft eten en drinken in verzorgings- en verpleeghuizen. Kunt u beschrijven wat die omslag te weeg heeft gebracht?
Ik denk dat de omslag tweeledig is. In eerste instantie is dit een bevestiging voor alle mensen die al eerder vonden dat er wat gedaan moet worden aan de ondervoeding in de verpleeghuizen. Dit werd vaak tegengehouden door het algemene idee dat het niet kan. Maar nu is er dus de bevestiging dat het wél mogelijk is. Ik heb aangetoond dat de werkdruk voor de verzorgenden niet groter wordt maar juist hetzelfde blijft. In tweede instantie is er ook een groep mensen die eerst tegen was en veel problemen zag in de omschakeling naar een huiskamerambiance. Ik heb het tegendeel hierbij wetenschappelijk bewezen.
Wat is het belangrijkste dat verzorgings- en verpleeghuizen kunnen doen op het gebied van eten en drinken?
Ik denk dat het belangrijk is om er structureel mee aan de slag te gaan en niet projectmatig. Je ziet vaak dat een tijdelijke werkgroep eten en drinken opgericht wordt. Wij (verbetertraject eten en drinken) spreken van een verbetertraject zodat je continu bezig blijft met verbeteringen van je zorgaanbod. Hier geldt ook: ‘meten is weten’. Veel verpleeghuizen weten niet dat er ondervoeding bij hen ook voorkomt. Daarom stimuleren we de verbeterteams dan ook door o.a. protocollen op te stellen, want bij de aanname van een nieuwe cliënt moet je weten hoe zwaar en hoe lang iemand is (Body Mass Index) en wat zijn voorkeur voor eten is. Daar kan je dan rekening mee houden. We hangen nu in een antimedische cultuur waarbij instellingen de mensen niet willen wegen en meten. Het is belangrijk om deze ondervoedingkenmerken te volgen, want hoe eerder zichtbaar wordt dat een cliënt afvalt hoe eerder er ingegrepen kan worden, waardoor het ondervoedingrisico afneemt.
Wat ik zou willen aanbevelen is dat mensen meer belevingsgericht aan de slag gaan. Er wordt nu vaak gewerkt vanuit de medewerker. Men gaat uit van wat hij wel en niet kan of wil. Maar het gaat om de bewoners, en die kunnen best gevraagd worden wat zij willen.