Vraag en antwoord
* Hoe kan de lichaamslengte het beste gemeten worden bij ouderen en zwaar lichamelijk gehandicapten?
Normaal gesproken wordt de lichaamslengte staand gemeten met behulp van een meetlat. Dat is bij ernstig meervoudig gehandicapten en hoogbejaarden niet altijd mogelijk. Daarom zijn er andere manieren.
Als er sprake is van contracturen kan gebruik worden gemaakt van een meetlint. Dan wordt gemeten van hiel tot kruin, de vormen van het lichaam volgend. Naarmate de contracturen toenemen, wordt deze uitkomst onbetrouwbaarder. Een alternatief is dan om de lichaamslengte te schatten door het meten van de armspanlengte (= de lichaamslengte) of de kniehoogte. Aan de hand van de volgende formules kan aan de hand van de kniehoogte de lichaamslengte worden ingeschat:
- Man: lichaamslengte (cm) = 64,19 – (0,04 x leeftijd (jr.)) + (2,02 x kniehoogte (cm))
- Vrouw: lichaamslengte (cm) = 84,88 – (0,24 x leeftijd (jr.)) + (1,83 x kniehoogte (cm))
* Hoe ontstaat ondervoeding?
Ondervoeding kan ontstaan door:
- Een verminderde inname van voedingsstoffen door een verminderde eetlust, door mechanische belemmeringen of door een eenzijdige voedselkeuze.
- Een verhoogde behoefte aan voeding door een ernstige acute of chronische ziekte of door bijvoorbeeld chemotherapie of een operatie.
- Abnormale verliezen van voedingsstoffen, bijvoorbeeld door stoornissen in de darm, hevig braken of diarree.
* Hoe vaak komt ondervoeding in de zorg voor?
De Universiteit van Maastricht meet elk jaar het vóórkomen (de prevalentie) van een aantal belangrijke zorgproblemen. Dit gebeurt in het Landelijk Prevalentieonderzoek Zorgproblemen (LPZ). Ook in 2005 is ondervoeding en risico op ondervoeding gemeten. Hieronder de resultaten van de verpleeg- en verzorgingshuizen, de thuiszorg, revalidatiecentra en de gehandicaptenzorg:
| Prevalenties 2005 | Risico op ondervoeding | Ondervoeding |
|---|---|---|
| verpleeghuizen | 22,4% | 17,3% |
| verzorgingshuizen | 16,5% | 12,9% |
| thuiszorg | 24,8% | 20,3% |
| revalidatiecentra | 25,5% | 14,5% |
| (verstandelijk gehandicaptenzorg | 21,4% |
* Kan iemand die een normaal gewicht heeft of overgewicht toch ondervoed zijn?
Ook met een normaal gewicht of overgewicht kan iemand ondervoed zijn. Zo kan een heel dik persoon binnen korte tijd veel onvrijwillig gewichtsverlies hebben. Als iemand snel afvalt, is de kans erg groot dat die persoon ook een ernstig tekort heeft aan eiwitten, mineralen en vitaminen. Ook bij eenzijdige voeding is sprake van ondervoeding.
De Universiteit Maastricht meet elk jaar in het Landelijk Prevalentieonderzoek Zorgproblemen (LPZ) onder meer of iemand een normaal of overgewicht heeft. Van overvoeding oftewel overgewicht is sprake bij een BMI groter dan 25. Hieronder de resultaten van de verpleeg- en verzorgingshuizen, de thuiszorg, revalidatiecentra en de gehandicaptenzorg.
| Prevalenties 2005 | Normaal gewicht en overgewicht | Overgewicht (BMI groter dan 25) |
|---|---|---|
| verpleeghuizen | 88,1% | 37,5% |
| verzorgingshuizen | 91,2% | 44,8% |
| thuiszorg | 87,9% | 51,9% |
| revalidatiecentra | 100% | 46,3% |
| (verstandelijk gehandicaptenzorg | 91,4% | 36,9% |
* Waar is meer informatie over het Verbetertraject Eten en Drinken te verkrijgen?
Voor meer informatie over het verbetertraject of het maken van een intakegesprek kunt u contact opnemen met projectassistente Annemieke Koning via (030) 7892319 of verbetertrajecten@zorgvoorbeter.nl.
* Waar staat meer informatie over de verbetertrajecten in het algemeen?
* Waarom is er een specifiek verbetertraject voor de gehandicaptensector?
Ook voor mensen met een verstandelijke beperking is goed eten en drinken essentieel voor een goede kwaliteit van leven. Voor mensen met een verstandelijke beperking zijn de problemen rond eten en drinken echter meestal anders dan voor bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen: bij mensen met een beperking gaat het minder vaak om ondervoeding, maar vaker om overvoeding en slik- en kauwproblemen. Vaak vragen deze problemen om individuele oplossingen of aanpassingen op maat en dus ook om een specifieke verbeteraanpak.
* Waarom is goed eten en drinken van belang?
Voldoende en goed eten en drinken zijn van levensbelang voor iedereen – ongeacht leeftijd of gewicht – omdat het het lichaam voorziet van energie en bouw- en voedingsstoffen die het lichaam nodig heeft om goed te blijven werken. Goed eten en drinken zorgt ervoor dat cliënten zich prettiger, fitter en minder moe voelen en minder snel ziek worden. Ook de wondgenezing gaat sneller en decubitus krijgt minder kans. Maaltijden en drinkpauzes hebben bovendien ook een belangrijke sociale betekenis: samen eten en drinken geeft een gevoel van verbondenheid en betrokkenheid en dat stimuleert de eetlust. Daarnaast kunnen mensen zich onderscheiden door de keuzes die zij maken rond eten en drinken; het geeft dus ook vorm aan de identiteit van cliënten.
* Waarom wordt gesproken over eten en drinken en niet over vocht en voedselvoorziening?
We gebruiken de termen eten en drinken omdat die beter aansluiten bij de belevingswereld van cliënten dan de in de zorg veel gebezigde termen vocht- en voedselvoorziening. Cliënten zien een maaltijd niet als een functie, taak of activiteit maar als een onderdeel van hun dagelijks leven en een van de hoogtepunten van hun dag. Denken vanuit de cliënt is een zeer belangrijk aandachtspunt in het Verbetertraject Eten en Drinken.
* Wanneer spreek je van ondervoeding?
Er zijn verschillende normen voor ondervoeding. Het Landelijk Prevalentieonderzoek Zorgproblemen hanteert de volgende definitie:
Een BMI (body mass index) kleiner dan 18,5 (voor > 85 jaar geldt een BMI kleiner dan 24) of een BMI tussen 18,5 en 20 (voor > 85 jaar geldt een BMI tussen 24 – 29) in combinatie met drie dagen niet of nauwelijks eten of meer dan een week minder eten of onbedoeld meer dan zes kilo in de afgelopen zes maanden zijn afgevallen of meer dan drie kilo in de afgelopen maand zijn afgevallen.
Dus ondervoed zijn:
- mensen tot 85 jaar met een BMI onder de 20
- mensen boven de 85 met een BMI onder de 29
mits zij ook een of meerdere van de volgende kenmerken hebben:
- drie dagen niet of nauwelijks gegeten
- meer dan een week minder gegeten
- onbedoeld meer dan zes kilo in de afgelopen zes maanden afgevallen
- meer dan drie kilo in de afgelopen maand afgevallen
* Wat is de Body Mass Index (BMI)?
De Body Mass Index (BMI) – ook wel Quetelet Index genoemd – is een index voor het gewicht in verhouding tot de lichaamslengte. De BMI wordt berekend door het lichaamsgewicht in kilo’s te delen door het kwadraat van de lichaamslengte (lengte keer lengte, uitgedrukt in meters). De BMI is een schatting van het gezondheidsrisico van het lichaamsgewicht. Het gaat er bij de BMI dus niet om wat cosmetisch gezien het mooiste is. De BMI vertoont een relatie met de hoeveelheid lichaamsvet, maar de BMI-waarden geven niet het percentage lichaamsvet aan.
De indeling van de BMI geldt voor volwassenen van 18 tot ongeveer 70 jaar. Voor kinderen en pubers gelden andere grenswaarden, boven de 70 jaar is de relatie tussen de BMI en de gezondheid minder duidelijk. Voor sommige groepen, zoals Aziaten en Hindoestanen, gelden andere grenswaarden vanwege een andere lichaamsbouw. Over deze grenswaarden is nog discussie. Duidelijk is wel dat bij deze bevolkingsgroepen al bij lagere waarden sprake is van een verhoogd risico.
| BMI (kg/m2) | Classificatie | Risico |
|---|---|---|
| < 18,5 | Ondergewicht | Laag (maar verhoogd risico op andere aandoeningen) |
| 18,5 – 24,9 | Normaal gewicht | Gemiddeld |
| 25 – 29,9 | Overgewicht | Verhoogd |
| 30 en hoger | Obesitas | Duidelijk verhoogd |
Uit onderzoek blijk dat de BMI waarbij de laagste sterfte optreedt bij ouderen hoger ligt dan bij de jongere leeftijdsgroepen. Er zijn echter nog te weinig gegevens op basis waarvan precies vastgesteld kan worden wanneer de gezondheidsrisico’s van ouderen beduidend toenemen. Duidelijk is wel dat de grenswaarden voor de BMI bij ouderen vanaf ongeveer 70 jaar met de nodige voorzichtigheid moeten worden gehanteerd. Dat geldt ook voor de beoordeling van de middelomtrek. Want ouder worden gaat gewoonlijk gepaard met veranderingen in de bouw van het lichaam, de samenstelling en de vetverdeling. Zo daalt het gewicht in verhouding tot de lengte. De hoeveelheid vet in de buikholte neemt toe, die op benen en armen neemt af. Bij mannen gebeurt dit heel geleidelijk. Vrouwen krijgen vooral na de menopauze meer vet in de buikholte. (Bron: www.voedingscentrum.nl)
* Wat is het doel van het Verbetertraject Eten en Drinken?
Doel van het Verbetertraject Eten en Drinken is een aanzienlijke vermindering van de ernst en het aantal gevallen van ondervoeding en andere eet- en drinkproblemen.
* Wat zijn de voorwaarden voor deelname aan dit verbetertraject?
De voorwaarden voor deelname aan het Verbetertraject Eten en Drinken zijn hetzelfde als die van de andere trajecten (zie algemene vragen over verbetertrajecten). Voor het Verbetertraject Eten en Drinken geldt nog een tweetal specifieke voorwaarden:
- kunnen aansluiten bij de doelstellingen van het verbetertraject: in ieder geval moet er aan het eind van de verbeterperiode een operationeel signaleringsysteem zijn voor ondervoeding. Uiteraard heeft de deelnemende instelling ook nog meer specifieke doelen en vraagstukken die aangepakt gaan worden, geheel volgens eigen plan. Voor de gehandicaptenzorg gelden andere algemene doelstellingen.
- bereidheid tot een start- en eindmeting op ondervoeding (of ander prevalent probleem). Aangesloten wordt bij de prevalentiemetingen van de Universiteit Maastricht. Gemeten wordt bij de bewoners van de pilotafdelingen. Vergoeding voor de prevalentiemeting bij deze bewoners is vastgesteld op maximaal honderd bewoners.
* Wie begeleiden de deelnemende instellingen?
Het kernteam van het Verbetertraject Eten en Drinken organiseert de verschillende gezamenlijke bijeenkomsten tijdens het verbetertraject én begeleidt de deelnemende instellingen. Daarnaast kunnen instellingen een beroep doen op de kennis en ervaring van een groep deskundigen.
Het kernteam van het Verbetertraject Eten en Drinken bestaat uit:
- Jos Schols: hoogleraar in Tilburg en Maastricht, verpleeghuisarts bij verpleeghuis Vivre in Maastricht, verbonden aan diverse projecten en verbeteringen in de langdurige zorg en gehandicaptenzorg met speciale interesse voor ‘ondervoeding’.
- Rut Jan van Essen: voormalig projectleider Implementatie multidisciplinaire richtlijn vocht en voedselvoorziening en interim-manager in zorginstellingen
- Kristel Nijs, oud-onderzoeker/projectleider Ambiance, verbonden aan Wageningen Universiteit, Humane voeding
- Margriet Boerma: zelfstandig organisatieadviseur en oud-diëtiste
- Herman Boers: innovatiemedewerker bij Vilans
- Ankie van Knijff: voorzitter van het Landelijk Netwerk Diëtisten Verstandelijk Gehandicaptenzorg (specifiek voor het verbetertraject voor de gehandicaptensector)
- Henry Mostert, projectleider Verbetertraject Eten en Drinken bij Vilans, heeft expertise op het terrein van thuiszorg, langdurige zorg, kwaliteitszorg en belevingsgerichte zorg.