Navigatie overslaan Zorg voor Beter
U bevindt zich hier:
  1. Home
  2. Onderwerpen
  3. Eten en drinken
  4. Begeleiding
  5. Betekenis prevalentie ondervoeding

Betekenis prevalentie ondervoeding

Definitie ondervoeding

De LPZ werkt met de volgende definitie voor ondervoeding:

Met risico op ondervoeding wordt bedoeld:

Het leeftijdcriterium van 85-jaar kan er voor zorgen dat men, volgens de definitie, de ene dag nog niet binnen de criteria van ondervoeding valt, en de volgende dag wel. Als een afdeling veel 85 plussers heeft zal deze gemakkelijker een hoger prevalentiecijfer hebben op ondervoeding. Het gaat dus om de vergelijking van 2 meetmomenten, met in achtneming van de leeftijd.

Het vaststellen van het gewicht en de lengte

Gewicht en lengte zijn belangrijk in het signaleren van ondervoeding. Bij onvrijwillig gewichtsverlies vergelijk je op twee momenten het gewicht. Belangrijk is dan wel dat je het gewicht op die twee momenten ook écht met elkaar mag vergelijken. De manier van wegen moet vergelijkbaarzijn en bij gebruik van verschillende weegschalen moeten die ook wel te vertrouwen zijn. Daar kan het nodige bij misgaan, zoals onbetrouwbare weegschalen. Als de cliënt zichzelf weegt dan is het wel van belang te weten hoe deze aan het gewicht komt. Het gewicht vaststellen bij bedlegerige en ‘rolstoel-‘cliënten vraagt om een weloverwogen weegmethode en middelen.

De lengte is van belang, omdat je anders de BMI niet kunt vaststellen. De BMI wordt als volgt berekend: het gewicht gedeeld door de lengte in het kwadraat. Bij veel bewoners is het lastig gebleken om betrouwbaar de lichaamslengte vast te stellen. Er bestaan verschillende methoden om de lengte te kunnen schatten en er bestaan zelfs hulpmiddeltjes voor. Heel vaak echter blijkt dat deze schatting niet geheel klopt. Ook het vragen naar de lengte en het overnemen uit een dossier kan fouten opleveren. De LPZ heeft wat dit betreft instructies gegeven.

Interpretatie prevalenties… welke prevalentie is (te) hoog of laag?

Prevalentie is het aantal cliënten met de ziekte gedeeld door het totaal aantal cliënten x 100. Voorzichtigheid is geboden bij het interpreteren en publiceren van de prevalentiecijfers. Er bestaat nog geen uitspraak over welke prevalentie hoog of laag is. De hoogte van de prevalentiecijfers verschillen behoorlijk tussen verschillende groepen met verschillende cliëntenkenmerken, zoals de leeftijd, het ziektebeeld en de fase van de ziekte, maar ook de verblijfplaats. Het beste is om te vergelijken met een setting en een cliëntenpopulatie die enigszins vergelijkbaar zijn met de eigen situatie. Vandaar dat we in de LPZ-rapportages ook een aantal tabellen hebben opgenomen waarin de resultaten geordend zijn naar soort afdeling: verpleeghuis of verzorgingshuis en hierin weer somatisch, psychogeriatrisch etc.

De landelijke gegevens zijn op dit ogenblik nog niet bekend over 2007. In september zijn deze beschikbaar en kunnen wij onze resultaten vergelijken met de landelijke cijfers. Wat we nu wel kunnen is een eigen vergelijking te maken tussen 2006 en 2007 wanneer de karakteristieken (gemiddelde leeftijd, ziektes/problematiek) van de cliënten vergelijkbaar zijn met het jaar daarvoor en dat in beide jaren even goed de lengte en het gewicht gemeten is. Als vorig jaar maar bij de helft gewicht én lengte gemeten is en nu bij iedereen kan dat een stijging opleveren van de prevalentie. Je hebt dan in 2007 niet het zelfde gemeten als in 2006.