Navigatie overslaan Zorg voor Beter
U bevindt zich hier:
  1. Home
  2. Onderwerpen
  3. Dementie
  4. Interviews
  5. ‘‘Het LDP richt zich ook op de zorg aan mensen thuis’’

‘‘Het LDP richt zich ook op de zorg aan mensen thuis’’

13 mei 2005

Interview met Julie Meerveld, Stichting Alzheimer Nederland over de opzet en werkwijze van het Landelijk Dementieprogramma (LDP).

Het landelijk dementieprogramma komt met een nieuw verbeterproces in de regio’s. Wat is de opzet en wat is er volgens u zo nieuw aan?

Er zijn drie dingen heel nieuw aan het Landelijk Dementieprogramma. In de eerste plaats beoogt het een landelijk dekkend programma te zijn. Tot nu toe zijn de verbeterprogramma’s veel beperkter van opzet geweest. In de tweede plaats heeft Alzheimer Nederland als belangenorganisatie een vaste plaats in het programma. We hoeven ons niet meer binnen te vechten. Sterker nog, een regio mag pas meedoen als een patiëntenorganisatie een rol heeft. Die voorwaarde wordt door het NIZW gesteld. Ten derde is de methode op zich vernieuwend. De doorbraakmethode gaat over resultaat gericht werken. Als de gewenste resultaten niet in zicht komen, dan kunnen de plannen worden bijgesteld. Deze methode is tot nog toe niet toegepast in de Care. Wel in de Cure, waar het CBO hiermee al heel wat ervaring heeft opgedaan: meer dan 20 projecten waaraan meer dan 80 ziekenhuizen hebben meegewerkt. De doorbraakprojecten in de Care hebben een ander karakter en zijn nieuw, omdat er veel meer sectoren tegelijk aan een project meewerken. En dat is juist de bedoeling. Al hebben in de CURE ook al verpleeghuizen en thuiszorg meegewerkt aan de CVA en COPD projecten. Het gaat erom dat de hele keten is betrokken. In de dementie zorg hebben we veel te lang gefocussed op de intramurale fase van de hulpverlening. Ongeveer 80% van de patiënten verblijft echter nog thuis. Het Landelijke Dementieprogramma richt zich ook op de zorg die wordt gegeven aan mensen die nog thuis wonen. Ook in Zweden zijn ze begonnen met Doorbraakprojecten voor patiënten met dementie en hun familie.

Hoe krijg je vrijwilligersorganisaties zo ver dat ze voldoende partij bieden in de regio’s?

Wij krijgen middels dit programma een kans om te leren en te bouwen. Stichting Alzheimer Nederland is nu nog geen hele sterke partij in de regio’s. Dat kan nu veranderen. Overigens zijn we wel een landelijk dekkend bureau. Dat is nu wel al een sterk punt van ons. We hebben 1200 vrijwilligers in 44 regionale afdelingen. Die afdelingen zoeken naar speciale vrijwilligers, een soort woordvoerders, die goed bekend zijn met de problematiek van de patiënten in hun eigen regio. Die vrijwilligers krijgen aanvullende ondersteuning en training. Het gaat dan om hele praktische dingen. Hoe kun je bijvoorbeeld met weinig middelen en tijd toch de knelpunten van patiënten verzamelen en feedback organiseren? Wij zorgen verder dat de speciale vrijwilligers regelmatig onderling ervaringen uitwisselen. En dat ze goed op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen. Ze moeten ook een andere houding aanleren. Naast het vriendelijk en enthousiast meedenken moeten ze ook andere activiteiten kunnen ontplooien om aanbieders van zorg te prikkelen en aan te zetten tot nieuw gedrag. Dat zou bijvoorbeeld kunnen middels het mobiliseren van allerlei betrokkenen of middels ludieke acties.

Wat is de meerwaarde van het betrekken van cliënten in de regio?

We zijn nog maar net begonnen met het Landelijk Dementieprogramma, dus we hebben nog weinig echte resultaten. Maar een paar dingen vallen al wel op. Een patiënt die samen met de vertegenwoordiger van Alzheimer Nederland het belang van vernieuwing komt onderstrepen, krijgt meer voor elkaar. De verbeterprojecten moeten hoger op de agenda en dat kan een patiënt goed aantonen. De tijd dringt voor een patiënt en dan wordt het moeilijk voor de aanbieder van zorg om de uitvoering van de verbeterprojecten opnieuw vanwege de drukke agenda vooruit te schuiven.

De bedoeling is dat partijen in de regio de samenhang in de zorg gaan verbeteren. Lukt dat en wat is daarbij de rol van Stichting Alzheimer Nederland?

Ook hiervoor geldt dat gezien de korte periode er nog weinig tastbare resultaten zijn te noemen. Maar we constateren wel dat er partijen om de tafel zitten met de intentie om samen te werken. Overigens heeft Stichting Alzheimer Nederland er last van dat VWS juist nu de concurrentie tussen aanbieders stimuleert. De aanbieders zijn dat niet gewend en dat remt de bereidheid om samen te werken. Veel aanbieders denken dat concurrentie en samenwerken niet samengaan. De belangenverschillen worden door de marktwerking op scherp gesteld. Stichting Alzheimer Nederland stelt steeds dat je samenwerkt om de zorg voor de patiënt te verbeteren. Dat moet je los zien van discussies over concurrentiepositie. Maar, hoe die discussie gaat uitpakken weten we nog niet.

Het is de bedoeling dat partijen zichzelf gaan sturen op resultaten. Is dat niet te vrijblijvend?

De methodiek van de doorbraakprojecten komt uit de Cure. Daar werkt het al goed, inclusief het zelf sturen op resultaten. Het is minder vrijblijvend dan de huidige gangbare situatie. Het is nog helemaal niet de gewoonte om te kijken of al het goede werk ook voldoende goede resultaten oplevert. De professionals in de zorg hebben inmiddels zelf behoefte om meer inzicht te krijgen in de resultaten van hun werk. Stichting Alzheimer Nederland zet zich daarbij in om de omschrijving van de resultaten te beïnvloeden. Niet alleen de procesresultaten moeten in kaart worden gebracht, maar vooral ook de resultaten voor patiënten en familieleden. Laat ik daar een voorbeeld van geven. Op dit moment proberen zorgaanbieders een oplossing te vinden voor het feit dat veel patiënten en hun familie niet weten waar ze moeten zijn voor de gewenste zorg in hun regio. De oplossing is mogelijk het opstellen van een sociale kaart. Daar staat het zorgaanbod in gepresenteerd. Dus, men werkt hard aan het realiseren van de kaart, maar vergeet vervolgens dat het echte werk daarna pas begint, door er voor te zorgen dat die informatie de doelgroep ook echt op het juiste moment bereikt. Dat zijn het soort resultaten waar we op moeten gaan sturen.